Van participatie naar eigenaarschap

Van participatie naar eigenaarschap

De grootste hefboom voor verandering zit in de mensen zelf … als zij zich tenminste (mede-)eigenaar van deze verandering voelen.

Kim is 15 jaar als zij wordt gevraagd om mee te doen aan een nieuw project. Iets met een eigen dossier of zo. Omdat haar vriendinnen ook meedoen, zegt Kim ‘ja’. Maar eigenlijk kan het haar niet zo veel schelen. Sowieso kan weinig haar schelen. Na vijftien jaar jeugdzorg en twaalf woonplekken heeft zij weinig vertrouwen in ‘weer een nieuw project’. Dat zal ze ook laten merken. Maar toch … hier is iets anders dan wat ze gewend is. Ze mag hier écht zelf bepalen hoe ze haar verhaal vertelt. Zal ze dan haar gedichten laten lezen …? Ze besluit deze op haar dossier te zetten. En de mensen vinden dit goed! Zes maanden later lees ik een gedicht voor in een groep met allemaal belangrijke mensen. Wat zij ervan vonden? Dat weet ik niet, en eigenlijk maakt het me ook niet veel uit. Het is toch Mijn Verhaal! 

Rubicon Jeugdzorg wil meer ruimte voor jeugdigen* en minder papier voor medewerkers. Daarnaast wil Rubicon het gebruik van sociale media integreren in het hulpverleningsproces. Deze drie thema’s zullen eerder uitgediept worden. Vervolgens zal toegelicht worden op welke wijze Rubicon dit in de praktijk wil gaan toepassen. 

Meer ruimte voor jeugdigen

Cliëntenparticipatie is mooi maar Rubicon Jeugdzorg wil verder gaan. Daar waar participatie betekent dat jeugdigen betrokken (mogen) zijn bij het hulpverleningsproces, wil Rubicon verder gaan. Jeugdigen zijn eigenaar van hun eigen leven, en daardoor natuurlijk ook van de hulpverlening die zij bij Rubicon ontvangen.

Jeugdigen ervaren eigenaarschap wanneer ze zeggenschap hebben over hun eigen leven en daarbij over hun eigen hulpverleningsproces. Eigenaarschap ontstaat niet vanzelf. Onderzoek toont aan dat een aantal voorwaarden belangrijk zijn bij het verwezenlijken van eigenaarschap:

  1. De jeugdige moet zich kunnen identificeren met het hulpverleningsproces. Het aanbod moet passen bij de vraag die de jeugdige heeft of het probleem dat de jeugdige ervaart. De jeugdige moet weten waar het over gaat, wat er gaat gebeuren en wat het belang is van de hulp.
  2. De hulp moet betekenis hebben voor de jeugdige, significant en aanvullend zijn. De vooropgestelde verandering moet zinvol zijn voor de jeugdige. Dit vertaalt zich in de vraag: “Wat levert het voor mij op?”
  3. De jeugdige krijgt voldoende ruimte om zelf invloed uit te oefenen op het proces en daarmee de gestelde verandering te realiseren.
  4. De jeugdige geeft en ontvangt feedback. De jeugdige heeft voortdurend zicht op de bereikte resultaten en krijgt telkens waardering voor de successen die reeds geboekt zijn. Feedback geeft verbinding met andere delen van het leven van de jeugdige en met andere delen van de organisatie. Hierdoor groeit zowel de jeugdige als de organisatie.

Eigenaarschap wil zeggen dat jeugdigen worden uitgedaagd zelf oplossingen te bedenken, zelf met ideeën te komen en deze uit te voeren. De gedachte van empowerment, zelf invloed uit kunnen oefenen, is belangrijk voor een succesvol hulpverleningstraject. Eigenaarschap geeft jeugdigen het gevoel dat wat ze doen belangrijk is voor henzelf. Ze hebben iets te zeggen, zijn verantwoordelijk. Daardoor raken ze intrinsiek gemotiveerd om verandering te realiseren.

Ook voor hulpverleners is eigenaarschap belangrijk in het uitoefenen van hun beroep. Hun deskundigheid doet ertoe. Bij gedeeld eigenaarschap is per definitie sprake van een intensievere samenwerking tussen jeugdigen en hulpverleners. Dat zorgt voor meer plezier in het werk en draagt bij aan het vergroten van de deskundigheid en professionaliteit van hulpverleners. Tevens zorgt dat voor meer resultaat in het hulpverleningsproces waarbij de resultaten aansluiten bij dat wat de jeugdige wil bereiken. Daarnaast krijgt de hulpverlener waardevolle feedback van de jeugdige.

Minder papier voor medewerkers en jeugdigen

Veel problemen die hulpverleners ervaren, hebben te maken met vastleggen van gegevens in formulieren, vragenlijsten en rapporten. Een deel van deze administratie is nodig maar teveel administratie staat een goed contact met de jeugdige in de weg. Teveel tijd, aandacht, mensen en middelen gaat zitten in bijzaken, die tot hoofdzaak lijken te zijn geworden. Bureaucratische regels, angstige protocollen en geduldig registrerende computerschermen zijn er steeds beter in geslaagd deze professionals van hun werk te houden. Er is behoefte aan continuïteit in het cliëntcontact, snelle en adequate zorg en een praktische registratie. Rubicon Jeugdzorg wil na de jeugdigen en hun ouders ook de professional in het werk weer recht geven op het gebruik van de eigen kracht. Hulpverleners ervaren eigenaarschap wanneer ze zeggenschap hebben zonder gebruik te hoeven maken van formele, vaak omslachtige, bureaucratische procedures. Rubicon gaat mee in deze behoefte. Ontregelen wordt serieus aangepakt door telkens te bekijken welke administratieve handelingen daadwerkelijk nodig zijn en welke stappen overbodig zijn in de diverse processen. Dit sluit naadloos aan bij landelijke en provinciale ontwikkelingen. Rubicon wil op die manier tijd creëren voor hulpverleners die ze direct aan hun jeugdigen kunnen besteden. Een groei naar 50 % face to face contact moet op deze manier gerealiseerd kunnen worden. Al deze ontwikkelingen sluiten aan op de landelijke beweging Jeugdzorg 2.0. Jeugdzorg 2.0 biedt professionals de mogelijkheid zich verder te ontplooien en ontwikkelen. Dit heeft een gunstig effect op de motivatie en inspanning van de professionals. Een organisatie kan haar kenniswerkers productiever inzetten door het gebruik van sociale media. Maar dit vergt wel een omslag in het denken. Zet professionals niet onder druk om volgens strakke protocollen, met uitputtende registratie aan zo veel mogelijk kinderen te werken, maar geef hen de ruimte. Ruimte voor werken naar eigen inzicht, ruimte voor het gebruik van moderne online ondersteuning, ruimte voor het uitproberen van nieuwe behandelmethoden, kortom ruimte voor sociale innovatie.

Sociale media

De jeugd brengt veel en steeds meer tijd online door. Het is dan ook vreemd dat jeugdzorg nauwelijks onderdeel van het sociale landschap is, want het digitale domein maakt onderdeel uit van het fysieke leven van de jongere. Digitale oplossingen helpen om te stroomlijnen, uit te wisselen, te delen en zaken makkelijker en aangenamer te maken. En dat sluit weer goed aan bij het streven om jeugdigen eigenaar te maken van hun hulpverleningsproces. Digitale toepassingen bieden ongekende mogelijkheden om jongeren online te betrekken, kennis tussen professionals te delen en vernieuwing van de jeugdzorg te stimuleren. Deze vernieuwing biedt voor professionals de volgende mogelijkheden: Minder e-mailverkeer door te communiceren via sociale media, online samenwerking, agenda’s delen over organisatiegrenzen heen, werken flexibel in tijd en locatie. Kortom, tal van nieuwe mogelijkheden voor slimmere organisatie van de jeugdzorg. Voor jeugdigen en hun netwerk bieden de sociale media ook tal van voordelen: Het gebruik van sociale media in de hulpverlening sluit aan bij hun leefwereld op Hyves, MSN en Twitter. Kinderen beschikken over telefoons, hebben toegang tot Internet en hebben ongekende vaardigheden om online te communiceren en te leren. De jeugdzorg kan hier van profiteren door de informatievoorziening en de hulpverlening online te ondersteunen. Via een beveiligde website kan de jeugdige van informatie op maat voorzien worden. Zij kunnen direct contact met een hulpverlener hebben of steun zoeken bij anderen. Internet haalt drempels weg en versterkt de vertrouwensrelatie tussen de jeugdige en de professional. Bovendien zijn kinderen online beter te volgen.

Vertaling naar de praktijk

Jeugdigen en hulpverleners moeten zich eigenaar voelen, maar wat houdt dat in, waarin is dat zichtbaar? Een tevreden en gemotiveerde eigenaar neemt verantwoordelijkheid voor zijn bezit, investeert tijd, toont graag aan de buitenwereld wat hij heeft, en is trots. Hij zal met plezier proactief meedoen aan de activiteiten van zijn hulpverleningsprocesBinnen Rubicon Jeugdzorg was al langere tijd ontevredenheid over de hulpverleningsplannen. Hulpverleners ervaren deze plannen als bureaucratie en jeugdigen voelden zich minimaal betrokken bij het opstellen van de plannen. Dat moet veranderen en wel middels de invoering van portfolio’s. Een portfolio is een persoonlijke (in de toekomst digitale) map waarin je beschrijft wat je kunt, waaruit dat blijkt en hoe je jezelf verder wilt ontwikkelen.

Een portfolio dient twee doelen:

  • 1. Je kunt je omgeving laten zien wat je hebt geleerd en wat je in je mars hebt.
  • 2. Het helpt je om na te denken (reflecteren) over wat je bereikt hebt en wat je in de komende tijd wilt leren.

In het onderwijs wordt al langer gewerkt met portfolio’s. Werken met portfolio’s voorziet in een behoefte aandacht te besteden aan de participatie en motivatie van jeugdigen. Een portfolio is niet zomaar een verzameling werkstukken. Het is het tastbare resultaat van een denk- en redeneerproces waarin jeugdigen nadenken over hun werk, hun leerproces, hun ambities en gevoelens. Werken met portfolio’s is een vorm van interactief leren en evalueren. Hieronder worden een aantal thema’s genoemd die betekenis geven aan het werken met portfolio’s:

Inzicht in eigen leerproces
Door te werken met portfolio ontwikkelt een jeugdige een beeld van zijn eigen leerproces. Door het selecteren, verzamelen en bewaren van werk denkt de jeugdige zelf na over zijn werk, reflecteert hij op zijn eigen leerproces. Doordat hij dit bovendien samen met anderen bespreekt, aan anderen presenteert en met anderen terugblikt, is het leren met portfolio’s in hoge mate interactief: jeugdigen krijgen vragen en feedback van hun hulpverlener, van hun netwerk en van leeftijdgenoten.

Reflecteren
De jeugdige verwerft door te reflecteren meer inzicht in hoe hij leert. Hij leert zich vragen te stellen als: wat heb ik geleerd? Hoe doe ik het in vergelijking met de vorige keer? Hoe heb ik het aangepakt? Hoe heb ik het ervaren? Deze reflecties kan een jeugdige opschrijven of bespreken met zijn hulpverlener. Op basis van deze reflecties kan een jeugdige nieuwe leeractiviteiten en – doelen plannen.

Interactie
Werken met portfolio’s nodigt uit tot interactie tussen jeugdige en hulpverlener en tussen jeugdigen onderling. Jeugdigen en hulpverleners worden uitgedaagd te onderhandelen, argumenten uit te wisselen, elkaars standpunten en opvattingen te leren kennen en begrijpen. Dit draagt bij aan een gemeenschap waarin jeugdigen en hulpverleners van elkaar leren.

Zelfvertrouwen en motivatie
Een portfolio vertelt het ontwikkelingsverhaal van één jeugdige. Door het werken met portfolio’s wordt een jeugdige nu eens niet vergeleken met anderen, maar met zichzelf: wat weet, kan en begrijp ik nú, wat ik eerst nog niet wist, kon of begreep. Een jeugdige krijgt inzicht in zijn eigen ontwikkeling. Dit draagt bij aan het vergroten van het zelfvertrouwen en het gevoel van competentie, en daarmee indirect aan de motivatie voor en betrokkenheid.

Eigenaarschap en eigen verantwoordelijkheid
De jeugdige is zelf de eigenaar van het portfolio. Hij heeft de regie en heeft daardoor mogelijkheden om zijn eigen leerproces ter hand te nemen. Portfolio is zo een krachtig middel om de verantwoordelijkheid voor leren en ontwikkelen daar te leggen waar hij hoort: bij de jeugdige zelf.

Organisatieontwikkeling
Werken met portfolio’s helpt ook de hulpverlener anders met het hulpverleningsproces om te gaan, jeugdigen meer initiatief te geven en een omgeving te ontwikkelen waarin zelfverantwoordelijk leren vanzelfsprekend is.

Competentieleren
Organisaties die met portfolio’s werken, zetten deze in bij het evalueren van het leren van de jeugdigen. Dit kan open en vrijblijvend zijn, maar er kunnen ook bepaalde eisen of doelen gesteld worden. Binnen de jeugdzorg wordt bijvoorbeeld vaak gewerkt met competenties of vaardigheden. Deze zijn uitgangspunt: de jeugdige verzamelt in zijn portfolio bewijzen voor het beheersen van competenties of vaardigheden.

E-portfolio

Digitale mogelijkheden combineren met portfolio’s, dat is mogelijk middels het zogenaamde e-portfolio of digitale portfolio. De digitale portfolio is via internet beschikbaar. Dit geeft jeugdigen de mogelijkheid om er tijd en plaats-onafhankelijk aan te werken. Naast de beschikbaarheid via internet heeft het werken met een digitale portfolio meer voordelen:

  • Alle media kunnen in het portfolio worden opgenomen – ook video- en geluidsfragmenten;
  • Communicatiemiddel – jeugdigen kunnen werk van elkaar bekijken en op een eenvoudige wijze van feedback voorzien;
  • Toegankelijkheid – voor meerdere personen tegelijk toegankelijk;
  • Overzichtelijk – het programma kan een duidelijke structuur aanbrengen in de ontwikkeling van jeugdigen.

Stand van zaken
Rubicon heeft in samenwerking met BMC de voorbereidingen in gang gezet voor verdere realisatie van het digitale portfolio. Hierbij staan de volgende elementen centraal:

  • het bieden van dialooggerichte zorg, dicht bij de cliënt;
  • minder belasting van de cliënt, door herhaald verstrekken van dezelfde informatie via het eigen dossier;
  • hulpverleners gecommitteerd;
  • het kind en het systeem centraal;
  • eigen kracht en regie van ouders en kind.

Met de invoering van een digitaal portfolio worden de volgende doelen beoogd:

Concreet wordt er een pilot gestart met jongeren die in een behandelgroep verblijven en een aantal pleegkinderen. De groep 16+ en pleegzorg is bij uitstek geschikt om mee te starten tijdens deze pilot.
De beoogde inhoudelijke resultaten van de pilot zijn:

• Groepen jongeren (en eventueel ouders) hebben via de pilot aangetoond dat en in welke mate zij regie kunnen krijgen over hun dossier.

• Groepen jongeren hebben de mogelijkheid gekregen om in hun eigen taal te communiceren met hulpverleners. Jongeren worden hierbij aangesproken op hun eigen kracht en talenten. Ze hebben de regie over hun dossier.

• Hulpverleners zijn in staat om op basis van de uitgangspunten van het project met de jongeren samen te werken.

• Groepen jongeren worden getraind in mediawijsheid, professionals worden hierin meegenomen.

• Professionals hebben de ruimte gekregen om op creatieve (en dynamische) wijze hulp te verlenen.

• De resultaten worden systematisch gemonitord, waardoor er gefundeerde uitspraken kunnen worden gedaan (conform een plan-do-study-actcyclus).

Moniek van Aarssen

Clusterleider Contracting

Rubicon Jeugdzorg

%d bloggers op de volgende wijze: